Op het D66-congres van 27 september zei premier Rob Jetten dat "goed georganiseerde en goed gefinancierde organisaties" achter aanvallen op minderheden zitten. Zijn boodschap aan hen: "We gaan die lui niet laten winnen, maar we gaan ze vol op hun bek slaan." De dagvoorzitter noemde dat "hele goede strijdlustige woorden". 

Feitenvrije beschuldigingen

Volgens Jetten willen deze organisaties "eerst een kleine groep te pakken, daarna een steeds grotere groep", om "alleen maar zelf meer macht te krijgen en de eigen diepe zakken meer te vullen". Welke organisaties dat zijn, zegt hij niet. Ook niet welke aanvallen zij hebben georganiseerd of wie zich daarmee hebben verrijkt.

Het is niet de eerste keer. Op 5 augustus sprak Jetten al over "giftige, goed georganiseerde en stevig gefinancierde groepen" die zich "achter de façade van vrijheid van meningsuiting" zouden verschuilen. Van Meijeren wil weten wie Jetten bedoelt en waar hij zijn beweringen op baseert.

Twee maten

Van Meijeren werd zelf vervolgd voor opruiing, na een toespraak waarin hij meermaals opriep tot vreedzaam en geweldloos verzet. Het OM eiste 200 uur taakstraf. Het gerechtshof sprak hem in maart vrij.

Jetten hield FVD in 2023, in een debat bij NOS op 3, nog voor dat politici "een zeer grote verantwoordelijkheid" hebben om hun woorden te wegen. De taal van FVD over transpersonen zou "uiteindelijk tot meer homohaat" leiden. Minder dan drie weken later werd Thierry Baudet tijdens een verkiezingsbijeenkomst in Groningen met een bierfles op het hoofd geslagen.

Nu is Jetten minister-president, en kondigt hij zelf aan tegenstanders op hun bek te slaan. De maatstaf die hij anderen oplegt, zal hij ook op zichzelf moeten toepassen. Van Meijeren wil weten of de premier achter zijn woorden blijft staan, of dat hij ze terugneemt.

Lees hieronder de 26 Kamervragen.

Vragen van het lid Van Meijeren (FVD) aan de minister-president, minister van Algemene Zaken, over zijn uitspraken op het D66-congres van 27 september 2026

1. Herinnert u zich uw uitspraken op het D66-congres van 27 september 2026, waar u stelde dat “die aanvallen op de LHBTI-gemeenschap of de aanvallen op vrouwen of de aanvallen op minderheden van kleur of geloof, die komen niet zomaar uit de lucht vallen”, dat het gaat om “goed georganiseerde en goed gefinancierde organisaties die proberen eerst een kleine groep te pakken, daarna een steeds grotere groep om alleen maar zelf meer macht te krijgen en de eigen diepe zakken meer te vullen", waaraan u toevoegde: "we gaan die lui niet laten winnen, maar we gaan ze vol op hun bek slaan"?

2. Onderschrijft u de opvatting van de Afdeling advisering van de Raad van State dat bewindspersonen “ook politici” blijven, dat “het feit dat bewindspersonen verschillende rollen vervullen” bijzondere eisen aan hen stelt, dat “de mate waarin rolzuiverheid is betracht” een van de factoren kan zijn bij de weging van hun handelen, dat het vertrouwen van het parlement in een bewindspersoon “niet enkel samen[hangt] met het beleid dat de minister voert, maar ook kan afhangen van de gedragingen van de bewindspersoon in de privésfeer, die losstaan van zijn verantwoordelijkheden als minister", dat de Kamer daarover kan oordelen, “ook wanneer het gaat om een gedraging die strikt genomen buiten de reikwijdte van de ministeriële verantwoordelijkheid valt", dat de minister-president in integriteitskwesties een “bijzondere rol” heeft, en dat het van belang is dat hij “niet alleen in woord en gedrag het goede voorbeeld geeft, maar ook collega-bewindspersonen hierin begeleidt, adviseert en zo nodig aanspreekt"? 

3. Erkent u, in het licht van het voorgaande, dat uw uitspraken op het congres, ongeacht de vraag of u daar als partijleider sprak, onvermijdelijk ook afstralen op uw rol als minister-president, en dat u daarover verantwoording verschuldigd bent aan de Kamer? Zo nee, waarom niet?

4. Hoe beoordeelt u, in het licht van het voorgaande, uw eigen woorden?

5. Rekent u ook maatschappelijke organisaties of in de Tweede Kamer vertegenwoordigde partijen die kritiek hebben op het lhbti-beleid van het kabinet, tot de door u bedoelde organisaties? Kunt u een overzicht van de namen van de organisaties die u bedoelde aan de Kamer verstrekken?

6. Welke “aanvallen op minderheden” bedoelde u precies? Doelt u daarbij op strafbare aanvallen, zoals geweldpleging of bedreiging, of ook op niet-strafbare “aanvallen”, zoals politieke uitingen en (lobby-)activiteiten die binnen de grenzen van de wet vallen?

7. Op grond van welke feiten stelt u dat deze aanvallen door de door u bedoelde organisaties worden georganiseerd of gefinancierd? Kunt u per organisatie aangeven welke concrete aanvallen aan haar zijn toe te rekenen? Zo nee, waarom niet?

8. Waaruit blijkt dat deze organisaties een strategie volgen waarbij zij, in uw woorden, “proberen eerst een kleine groep te pakken, daarna een steeds grotere groep”? Welke documenten, onderzoeken of inlichtingen liggen aan die bewering ten grondslag?

9. Waaruit blijkt dat het oogmerk van deze organisaties is "alleen maar zelf meer macht te krijgen en de eigen diepe zakken meer te vullen"? Welke documenten, onderzoeken of inlichtingen liggen aan die bewering ten grondslag?

10. Als u de door u bedoelde organisaties niet kunt noemen, of uw beweringen over hun strategie, hun oogmerk en hun betrokkenheid bij aanvallen niet deugdelijk kunt onderbouwen, waarom heeft u deze beweringen dan in het openbaar gedaan?

11. Herinnert u zich uw toespraak van 5 augustus 2026 bij de opening van de Human Rights Conference, waarin u stelde dat “achter de façade van vrijheid van meningsuiting” “giftige, goed georganiseerde en stevig gefinancierde groepen” schuilgaan die “haat verspreiden en hun eigen agenda uitrollen”?

12. Welke groepen bedoelde u op 5 augustus met de groepen die zich "achter de façade van vrijheid van meningsuiting" verschuilen? Zijn dat dezelfde organisaties als die u op 27 september bedoelde? Waar baseert u op dat wanneer deze groepen zich beroepen op de vrijheid van meningsuiting, sprake is van een “façade”, ofwel een bedrieglijke schijn?

13. Worden de middelen die u op 5 augustus 2026 aankondigde, waaronder € 7,5 miljoen per jaar voor de veiligheid van de queergemeenschap en een publiekscampagne gericht op het tegengaan van discriminatie en desinformatie, ingezet tegen de door u bedoelde groepen?

14. Wie bepaalt welke uitingen daarbij als "desinformatie" worden aangemerkt? Op basis van welke bronnen wordt bepaald of informatie waar of onwaar is? Is het op basis van die bronnen waar of onwaar dat er twee geslachten zijn (man en vrouw)? Is het op basis van die bronnen waar of onwaar dat mannen zwanger kunnen raken en kunnen bevallen van een baby?

15. Oefent het kabinet, nu u stelt dat bedrijven achter social media "nauwelijks nog modereren op haatcontent", druk uit op deze bedrijven om uitingen omtrent de door u bedoelde groepen te verwijderen of minder zichtbaar te maken? Zo ja, op welke wijze en op basis van welke wettelijke grondslag? Hoe verhoudt dat zich tot de uitingsvrijheid en het censuurverbod?

16.Wie bedoelde u precies met "die lui": de door u bedoelde organisaties, de personen die daaraan leiding geven, de personen die aanvallen plegen, of anderen?

17. Erkent u dat "iemand op zijn bek slaan" in het normale spraakgebruik betekent dat iemand een harde klap op zijn hoofd krijgt en derhalve fysiek geweld wordt aangedaan? 

18.Heeft u tijdens het congres opgemerkt dat u niet daadwerkelijk heeft bedoeld wat u letterlijk heeft gezegd en dat u fysiek geweld tegen "die lui" afwijst? Zo nee, waarom niet?

19. Kunt u uitsluiten dat toehoorders of kijkers uw woorden opvatten als een rechtvaardiging voor fysiek geweld tegen personen die zij tot "die lui" rekenen? Zo ja, hoe kunt u dat uitsluiten?

20. Herinnert u zich dat u op 26 mei 2026 in de Tweede Kamer, tijdens het debat over het normaliseren van geweld in politiek en samenleving, verklaarde: "Wat we hier in de Tweede Kamer zeggen, als Kamerleden of als kabinetsleden, maakt heel veel uit. Onze woorden hebben rechtstreeks effect op wat er op straat gebeurt. Als politici oproepen tot verzet, hitsen ze daarmee burgers op tegen het lokale bestuur, tegen hulpverleners en tegen mensen die aan het werk zijn in bijvoorbeeld de asielopvang."? Erkent u dat, als volgens u al een oproep tot verzet burgers ophitst, dit te meer geldt voor de aankondiging van een minister-president dat "we" "die lui" "vol op hun bek" gaan slaan? Zo nee, waarom niet?

21. Herinnert u zich het NOS op 3 Verkiezingsprogramma van 1 november 2023, waarin u Thierry Baudet, de toenmalig fractievoorzitter van Forum voor Democratie, voorhield dat "die verschrikkelijke taal die u en uw collega's altijd bezigen over transpersonen in Nederland, die leiden uiteindelijk tot meer homohaat in Nederland"? Herinnert u zich dat u hem en zijn partij verantwoordelijk hield voor homohaat? Herinnert u zich dat de heer Baudet minder dan drie weken later met een bierfles een harde klap tegen zijn hoofd kreeg vanwege zijn kritiek op het lhbti-beleid? Houdt u rekening met de mogelijkheid dat uw uitingen bijdragen aan het klimaat waarin het legitiem wordt geacht om geweld te gebruiken tegen personen die kritiek hebben op het lhbti-beleid? Zo nee, waarom niet?

22. Erkent u dat opruiing volgens vaste rechtspraak wordt omschreven als "het bij anderen opwekken van de gedachte aan het plegen van een strafbaar feit, het trachten de mening te vestigen dat dit feit wenselijk of noodzakelijk is en het opwekken van het verlangen om dat feit te bewerkstelligen”? Hoe beoordeelt u uw eigen woorden in het licht van deze jurisprudentie?

23. Erkent u dat het EHRM hieromtrent heeft geoordeeld dat mede beslissend is of een uitlating werd gedaan tegen een gevoelige maatschappelijke of politieke achtergrond, of in een klimaat van vijandigheid en haat, waarin zij onrechtmatige handelingen kon uitlokken en personen kon blootstellen aan een reële dreiging van fysiek geweld? Erkent u dat u zelf de achtergrond van uw uitspraak omschrijft als een klimaat waarin "uitingen van homohaat steeds openlijker en feller van toon worden"? Hoe weegt u die door u zelf geschetste achtergrond bij de beoordeling van uw eigen woorden?

24. Deelt u de opvatting dat de vrijheid van meningsuiting ruim moet worden uitgelegd, voor oppositieleden én voor de minister-president, en dat het strafrecht niet behoort te worden ingezet om politieke tegenstanders te normeren? Deelt u ook de opvatting dat het vertrouwen in de rechtsstaat vereist dat voor iedereen dezelfde maatstaf geldt, ongeacht politieke gezindheid? Zo ja, hoe waarborgt het kabinet dat?

25. Blijft u volledig achter uw uitspraken van 27 september 2026 staan? Zo nee, welke onderdelen neemt u terug?

26. Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en binnen de reguliere termijn beantwoorden?