Renaissance Instituut Actueel

Waarom rechts verder moet denken dan de bekende christendemocratische reflex

Vincent Vos
Waarom rechts verder moet denken dan de bekende christendemocratische reflex

Opnieuw een nieuwe partij op rechts. Project2029 presenteert zich als een nieuw sociaal-conservatief alternatief op rechts. Wie echter werkelijk een antwoord wil bieden op de crisis van onze tijd, zal verder moeten gaan dan de vertrouwde christendemocratische poging om liberalisme en gemeenschap met elkaar te verzoenen. Deze verzoening was misschien in het verleden mogelijk, toen de wereld er nog anders uitzag, maar volstaat niet langer als we de huidige problemen van Nederland serieus willen oplossen.

Mona Keijzer presenteerde een aantal weken geleden haar nieuwe politieke beweging Project2029. Vooralsnog is het geen partij. In november wil ze besluiten over het vervolg. Mona pretendeert een ideologisch antwoord te formuleren op de problemen van deze tijd. Zo ook worden de waarden van de partij in een oprichtingsdocument uiteengezet.

Wat opvalt, is dat het document voortdurend probeert tegengestelde beginselen met elkaar in evenwicht te brengen. Dat zit zelfs expliciet in de grondslag. Er wordt gesproken over een evenwicht tussen vrijheid en orde, tussen rechten en plichten, tussen regels en eigen verantwoordelijkheid, tussen economische belangen en sociale stabiliteit en tussen nationale zeggenschap en internationale samenwerking. Dat maakt het ideologisch sterk verwant aan de christendemocratische traditie van subsidiariteit, gemeenschap en gespreide verantwoordelijkheid. Is het telkens weer zoeken naar de balans echter daadwerkelijk wel mogelijk in een tijd waar polarisatie en existentiële vraagstukken de agenda domineren?

Zeker wanneer de problemen van deze tijd vooral het gevolg zijn van dat eeuwige polderen. Juist daarom moeten we de vraag stellen waarom die behoefte aan het telkens weer polderen er eigenlijk is? Want het sociaal-conservatisme dat hier wordt gepresenteerd, lijkt vooralsnog vooral een nieuwe variant op een veel oudere politieke traditie: de christendemocratische poging om de gevolgen van het liberalisme te corrigeren zonder werkelijk met de filosofische uitgangspunten ervan te breken.

En precies daar ligt volgens mij het probleem.

De christendemocratische reflex

Het is niet moeilijk om te begrijpen waarom juist Mona Keijzer op deze positie uitkomt. Zij was decennialang actief binnen het CDA voordat zij naar BBB vertrok. Veel bewegingen die zich tegenwoordig ‘sociaal-conservatief’ noemen, hebben duidelijke overeenkomsten met de klassieke christendemocratische visie.

Het gezin is belangrijk, gemeenschappen moeten worden beschermd en ondernemers moeten de ruimte krijgen. De overheid moet daarnaast niet alles willen regelen. Tegenover rechten staan verantwoordelijkheden. Migratie moet worden begrensd en de nationale samenleving moet voldoende samenhang behouden. Deze zaken zijn belangrijk om in onze huidige tijd van ontworteling door het liberalisme op terug te vallen.

De christendemocratie heeft altijd beter dan het liberalisme begrepen dat een samenleving uit meer bestaat dan alleen het individu en de staat. Tussen individu en staat bevindt zich een hele maatschappelijke wereld van gezinnen, kerken, verenigingen, ondernemingen en lokale gemeenschappen. Historisch kenmerkte de christendemocratie zich dan juist ook door een politiek van bemiddeling. Verschillende maatschappelijke belangen moesten met elkaar in evenwicht worden gebracht.

De christendemocratie probeert voortdurend een evenwicht te vinden tussen individu en gemeenschap, vrijheid en orde, markt en samenleving, nationale identiteit en internationale samenwerking. Dit genuanceerde beeld op de werkelijkheid klinkt dan ook logisch in een land waar de poldercultuur het politieke landschap domineert. Deze manier van kijken heeft ook lang gewerkt. Als we echter naar de recente ontwikkelingen in de politiek kijken, biedt het eeuwige polderen juist geen oplossingen meer voor de problemen van vandaag. Het zoeken naar een consensus is namelijk alleen aantrekkelijk zolang waarden niet daadwerkelijk botsen.

Maar wat als waarden wel degelijk botsen? Wat als politieke vraagstukken zo belangrijk zijn dat ze existentieel van aard worden?

Wat gebeurt er wanneer individuele autonomie het gezin aantast? Wat gebeurt er als onbeperkte economische mobiliteit lokale gemeenschappen verzwakt? Wat gebeurt er als internationale verdragen nationale zelfbeschikking onmogelijk maken? Wat gebeurt er als abstracte gelijkheid botst met het recht van een historisch volk om onderscheid te maken tussen wie tot zijn gemeenschap behoort en wie niet? Dit zijn allemaal fundamentele discussies die de huidige politiek domineren en er kan niet eindeloos gepolderd blijven worden.

Om te kunnen kiezen, is een hiërarchie van waarden nodig.

Het probleem begint vóór woke

Dat is precies waarom de gebruikelijke conservatieve kritiek op onze tijd onvoldoende is. Vanuit die visie wordt het probleem van tegenwoordig vaak ongeveer als volgt beschreven: Nederland was ooit een redelijk normaal land met vrijheid, verantwoordelijkheid, gemeenschapszin en een gezonde markteconomie. Vervolgens zijn progressieven doorgeschoten. Woke, massamigratie, bureaucratie, klimaat-technocratie, globalisering en radicale individualisering hebben een op zichzelf gezonde liberale samenleving uit balans gebracht.

De oplossing ligt dan ook vervolgens voor de hand. We moeten terug naar het midden, terug naar de balans. Vrijheid, maar ook verantwoordelijkheid. Markt, maar ook gemeenschap. Rechten, maar ook plichten. Deze visie is echter onvoldoende om de teloorgang van Nederland, en groter nog, het huidige Westen, te verklaren. Om dat te snappen moeten we verder terug. Het probleem begint namelijk niet bij woke, niet bij Frans Timmermans, niet bij D66 en zelfs niet bij de culturele revolutie van de jaren zestig.

Het probleem begint bij het mensbeeld dat de moderne liberale orde mogelijk heeft gemaakt.

Bij het klassiek-liberalisme zien we al een fundamentele omkering. De mens verschijnt allereerst als individu met natuurlijke rechten. Individuen bestaan filosofisch vóór de gemeenschap en richten vervolgens door vrijwillige instemming een overheid op die hun reeds bestaande rechten moet beschermen. Hierdoor wordt het individu het uitgangspunt en de gemeenschap iets wat zich tegenover dat individu moet rechtvaardigen. Dit klinkt wat abstract, maar de consequenties van dit denken zijn enorm.

Waarom mag traditie mijn vrijheid beperken? Waarom heeft mijn gemeenschap aanspraken op mij waar ik nooit zelf voor gekozen heb? Waarom zou mijn familie verplichtingen scheppen waarvoor ik nooit toestemming heb gegeven? Waarom zou een volk meer aanspraak mogen maken op zijn historische grondgebied dan iemand die daar gisteren is aangekomen?

Steeds weer domineert dezelfde gedachte: ‘Waarom zou iets wat ik niet zelf gekozen heb, gezag over mij mogen hebben?’ Vanuit dat denkpatroon ontstaat een emanciperende logica die veel verder kan worden doorgetrokken dan wat de klassiek liberalen zelf ooit voor ogen hadden.

Eerst moet het individu worden bevrijd van willekeurige staatsmacht. Vervolgens moeten traditionele gezagsverhoudingen zich legitimeren. Daarna worden culturele normen, familiale verwachtingen, religieuze voorschriften en nationale bindingen potentiële beperkingen van individuele zelfontplooiing.

Uiteindelijk kan zelfs de natuur zelf als beperking worden ervaren. Het progressief-liberalisme komt daarom niet uit de lucht vallen. Het trekt bepaalde uitgangspunten van het liberalisme gewoon verder door naar een vanzelfsprekend nieuw stadium.

De mens wordt niet als individu geboren

Om een inhoudelijke kritiek te kunnen formuleren op deze gedachte moeten wij opnieuw terug naar een fundamentele vraag: 'Wat is de mens eigenlijk?’ Het liberalisme begint bij het individu en probeert vanuit dat individu vervolgens de samenleving op te bouwen. Geen mens wordt echter als abstract individu geboren.

Een mens wordt geboren als zoon of dochter en binnen een familie. Op een bepaalde plaats. Binnen een taal, cultuur en geschiedenis die allemaal al bestonden voordat hij zich daar bewust van kon zijn. Ik heb niet gekozen dat er Nederlands tegen mij werd gesproken. Ik heb Nederland niet opgericht. Ik heb niet besloten welke gebeurtenissen onze geschiedenis hebben gevormd. Ik heb mijn familie niet samengesteld voordat ik erin geboren werd.

De mens wordt echter wakker in een wereld die al bestaat. Daar ligt volgens mij een fundamenteel verschil tussen het liberale en het traditionele mensbeeld. De liberale mens begint bij zichzelf en bouwt vervolgens zijn verhouding tot de wereld op. De traditionele mens ontdekt dat hij onderdeel is van een wereld die aan hem voorafgaat, de mens als onderdeel van een keten.

De liberaal zou zeggen dat iedere traditie opgelegd is aan het individu waardoor de traditie dus direct verdacht gemaakt wordt. Dit argument botst echter met de traditionele visie. Sommige verplichtingen bestaan namelijk juist omdat wij onderdeel zijn van verbanden die we niet zelf hebben gemaakt. Deze verbanden bestaan echter wel met een reden. Het gaat niet over onderdrukking, maar over de voorwaarde voor bestaan. Wanneer wij meegaan in de redenering van de liberaal, kunnen wij niet legitiem beargumenteren dat de problemen van deze tijd ook daadwerkelijk echt problematisch zijn.

Wat is Nederland?

We gaan weer terug naar het oprichtingsdocument van Project2029 en kijken naar bijvoorbeeld iets als immigratie. Project2029 wil immigratie beperken. Dat is op zichzelf een goed punt, maar de werkelijk politieke vraag zou hieraan vooraf moeten gaan: ‘Waarom willen wij immigratie beperken?’ Is immigratie vooral een probleem omdat woningen schaars zijn? Omdat publieke voorzieningen onder druk staan? Omdat de integratie niet goed genoeg verloopt? Omdat de verzorgingsstaat een bepaald migratiesaldo niet aankan?

Of bestaat er nog een fundamentelere reden?

Heeft het Nederlandse volk als historische gemeenschap het recht om zijn eigen continuïteit te beschermen? Dát is een wezenlijk andere vraag.

Wanneer Nederland uiteindelijk slechts bestaat uit een aantal universele waarden (vrijheid, democratie, rechtsstaat en gelijkheid) wordt onduidelijk waarom Nederland als concrete historische gemeenschap überhaupt beschermd moet worden.

Iemand die deze waarden onderschrijft, kan dan in principe net zo Nederlands zijn als iemand wiens familie hier al generaties leeft. Het probleem is dat een volk niet alleen bestaat uit ideeën. Het bestaat uit geschiedenis, taal, plaats, cultuur, herinneringen, gewoonten en een lijn tussen generaties. Nederland is geen vereniging waarvan je lid wordt zodra je de statuten onderschrijft.

Daarom is het onvoldoende om te zeggen dat immigranten onze ‘waarden’ moeten respecteren. De diepere vraag zou meer moeten gaan over wat wij eigenlijk proberen door te geven.

Vrijheid vraagt grenzen, maar welke grenzen?

Vrijheid vraagt grenzen, maar de werkelijke vraag is niet óf vrijheid begrensd moet worden, maar waardoor. Achter iedere grens schuilt een hiërarchie van waarden. Politiek gaat uiteindelijk niet om permanent evenwicht zoeken, maar om de vraag welk goed doorslaggevend is wanneer waarden botsen. Zolang individuele vrijheid het hoogste beginsel blijft, raken gemeenschap, traditie en samenhang ondergeschikt. Ik zou die verhouding omkeren. Vrijheid is geen hoogste waarde, maar ontleent haar betekenis aan de gemeenschap die haar draagt. Zonder richting gaat vrijheid enkel over kortetermijnkeuzes en hedonisme, en holt ze uiteindelijk de voorwaarden uit die haar zin geven. Daarom moet de vraag niet zijn hoe wij de vrijheid zo veel mogelijk kunnen maximaliseren, maar welke gemeenschap wij willen bewaren.

Opnieuw zien we hier dus de vraag: ‘welk goed proberen we precies te beschermen?’

Wanneer het antwoord uiteindelijk bestaat uit individuele vrijheid, gelijkheid en de democratische rechtsstaat, blijven we binnen dezelfde liberale cirkel redeneren. Dan beschermen we Nederland uiteindelijk omdat Nederland de liberale orde beschermt.

Ook de economie is niet neutraal

Hetzelfde probleem zien we bij ondernemerschap. Project2029 wil nadrukkelijk ruimte bieden aan ondernemers en zich verzetten tegen bureaucratische regeldruk. Ook dat is logische kritiek op de huidige orde. Maar ook economische vrijheid kan niet het hoogste beginsel zijn. Wanneer arbeidsmigratie economisch voordelig is, maar de sociale cohesie ondermijnt, wat heeft dan voorrang? Wanneer schaalvergroting efficiënter is, maar familiebedrijven en lokale gemeenschappen verdwijnen, wat kiezen we dan? Wanneer vrij verkeer de economie laat groeien, maar tegelijkertijd nationale controle over wonen, arbeid en demografie aantast, welke waarde staat dan bovenaan?

De ‘vrije’ markt kan deze vragen niet beantwoorden. De christendemocratie probeert daarom de markt en gemeenschap met elkaar in evenwicht te brengen. Ook hier is de vraag of dit überhaupt nog mogelijk is. In een tijd waarin bedrijven internationaal opereren, er internationale oligopolies de markt domineren en de rijkste mensen landen tegen elkaar uitspelen, is de rol van de overheid compleet anders geworden.

Vanuit een traditionele visie is de markt een middel en geen doel. De economische inrichting van een land zou dan ook niet als doel moeten hebben om het jaarlijkse BNP te verhogen, maar om te zorgen dat de gemeenschap van een land kan floreren. De samenleving hoort niet in dienst van de de economie te staan, maar de economie in dienst van de samenleving te staan.

Daarom ben ik heel sceptisch over de steeds terugkerende neiging om voor iedere nieuwe maatschappelijke crisis opnieuw een politiek project op te richten dat belooft de balans te herstellen. Alsof de problemen van onze tijd het gevolg zijn van een verkeerde afstelling van onze politieke orde en niet van de uitgangspunten waarop deze orde zelf rust. Zolang die fundamenten niet ter discussie worden gesteld, blijven ook de oplossingen ondoordacht en onuitvoerbaar.

Machtsdenken

Daarmee komen we bij een vraag die in het hedendaagse politieke debat opvallend vaak wordt vermeden: de vraag naar macht. Politiek draait niet alleen om de vraag welke waarden wij belangrijk vinden, maar ook om de vraag wie uiteindelijk beslist wanneer die waarden onvermijdelijk met elkaar botsen. Wie een historische gemeenschap wil behouden, zal daarom niet alleen moeten kunnen uitleggen wat behouden moet worden, maar ook op welke grond zij het recht heeft zichzelf te beschermen en over welke politieke macht zij moet beschikken om dat ook daadwerkelijk te kunnen doen. Zonder die vraag te stellen, blijven vrijheid, democratie en rechtsstaat abstracte begrippen, losgezongen van de concrete gemeenschap waarvoor zij bedoeld zijn. Zonder die vraag zal je eeuwig terugkomen op het probleem van het liberale project: de mens als ontworteld individu dat enkel de taak heeft zijn directe begeerten te bevredigen.

Machtsdenken zou iets van de vorige eeuw zijn, iets wat niet meer nodig zou hoeven zijn vanwege ons superieure poldermodel en onze progressieve sociale ontwikkelingen. De mens is echter nooit veranderd. De vragen die belangrijk geacht werden in de vorige eeuw zijn nog steeds relevant voor vandaag de dag, ondanks dat ze niet meer gesteld mogen worden. Het onderwerp macht is een taboe geworden, omdat de huidige politieke orde doet alsof deze vraag niet meer relevant is of deze in verband brengt met onderdrukking. Het ironische is dat dit onderwerp juist een taboe is geworden omdat de huidige liberale orde dit door haar macht zo heeft kunnen maken. Macht is niet verdwenen, het heeft zich alleen verstopt.

Juist wanneer we weigeren in termen van macht te denken, ontstaat de illusie dat begrippen als vrijheid, democratie en rechtsstaat politiek neutraal zijn. Dat zijn ze niet. Ook de betekenis van deze begrippen is inzet van een politieke strijd. Wie erin slaagt zijn eigen interpretatie van de rechtsstaat of democratie als de enige neutrale en legitieme interpretatie te presenteren, heeft daarmee een enorm krachtig politiek instrument in handen. Politieke tegenstanders kunnen vervolgens niet alleen worden bestreden omdat hun opvattingen onwenselijk zouden zijn, maar omdat zij de ‘democratie’ of de ‘rechtsstaat’ zouden bedreigen. Iets wat we exact zien in het huidige debat van vandaag.

Juist de politieke orde die beweert macht zoveel mogelijk te begrenzen, gebruikt deze macht wanneer er kritiek gevormd wordt op haar eigen instituties. De vraag verdwijnt daarmee echter niet. Het politieke wordt alleen verhuld achter ogenschijnlijk neutrale procedures en universele begrippen. Wie serieus over het behoud van een gemeenschap wil nadenken, moet daarom niet alleen over waarden durven spreken, maar ook over macht: wie beslist, namens wie wordt beslist en welke gemeenschap heeft uiteindelijk het laatste woord?

Wanneer dit soort gesprekken niet wordt gevoerd of, sterker nog, wordt gecriminaliseerd, is elke politieke discussie zinloos. Wanneer op het gebied van macht meegegaan wordt met de liberale consensus, is elke vorm van weerstand tegen de maatschappelijke gevolgen ervan zinloos. Je probeert opnieuw te creëren, waartegen je ageert. Als je echt een serieus politiek project wil opzetten, moet je ook het lef hebben om in het openbaar kritiek te vormen op de fundamenten van onze politieke orde. Het gevolg is echter dat de verdedigers van deze politieke orde het verhaaltje waarop deze orde is gebaseerd, koste wat het kost zullen gaan verdedigen. Extreme demonisering en ophef zijn dan de gevolgen. Juist daarom is het tegelijk ‘fatsoenlijk’ willen blijven in combinatie met daadwerkelijk de problemen willen oplossen, een onmogelijke combinatie. Als je de problemen op wil lossen, moet je aan de fundamenten van de huidige politieke orde en mensbeeld gaan schroeven en wanneer je dat doet zal je als niet fatsoenlijk worden gezien. Als je daadwerkelijk een bedreiging of alternatief kan bieden voor de problemen van vandaag, dan zal je altijd tegenstand krijgen.

Conclusie

De oplossing zit hem dan ook niet in geaccepteerd te willen worden door de aanhangers van deze orde, maar door druk te zetten en je te organiseren om vanuit macht deze politieke orde te kunnen veranderen. Dat doe je niet in de Tweede Kamer, dat doe je met een beweging van loyale mensen die hun persoonlijke belangen ondergeschikt maken aan het grotere doel.

Daarom ben ik sceptisch over alweer een nieuw sociaal-conservatief project dat belooft de balans te herstellen. Het probleem is dat we de traditionele zaken die wij belangrijk vinden niet kunnen beschermen wanneer we tegelijkertijd het mensbeeld intact laten dat ze steeds opnieuw ondergraaft. Wie het gezin wil beschermen, moet uiteindelijk durven zeggen dat het gezin méér is dan een vrijwillig verband tussen autonome individuen. Wie nationale identiteit wil beschermen, moet durven zeggen dat een volk méér is dan een verzameling mensen die dezelfde politieke waarden onderschrijven. Wie democratie wil beschermen, moet niet alleen over procedures en rechtsstatelijke grenzen spreken, maar ook over de demos die zichzelf bestuurt. Wie gemeenschappen wil beschermen tegen de markt, bureaucratie en internationalisering, moet een hiërarchie durven aanbrengen waarin gemeenschap en nationale continuïteit soms daadwerkelijk boven individuele autonomie of economische efficiëntie worden geplaatst. Wie onze problemen van vandaag wil oplossen, moet verder kijken dan het liberalisme.

Dat zijn vragen waarop het klassieke christendemocratische compromis uiteindelijk geen bevredigend antwoord heeft gegeven. En precies daarom is het onvoldoende om dat compromis vandaag onder de nieuwe naam ‘sociaal-conservatisme’ opnieuw te presenteren.

De crisis van onze tijd vraagt niet om een iets conservatieve variant van dezelfde orde. Het vraagt dat we opnieuw nadenken over wat aan die orde voorafgaat. Over familie, volk, geschiedenis, plaats, gezag en gemeenschap. Over de dingen die wij niet zelf hebben gekozen, maar zonder welke wij überhaupt niet zouden zijn wie wij zijn.

Een kritiek moet de liberale visie fundamenteel afwijzen, alleen dan kan er aan iets nieuws gebouwd worden.

Nieuwsbrief

Blijf op de hoogte.

Onze nieuwste analyses, essays en aankondigingen over wetenschap, cultuur en de geschiedenis van ideeën, rechtstreeks in uw inbox. Geen spam. Geen reclame.