
Een gesprek met Sid Lukkassen over verval, herbronning en een nieuwe toekomst voor Nederland
Hans van de Breevaart
Inleiding
Dr. Sid Lukkassen mag dan Nederland hebben verlaten, Nederland en het Westen laten hem niet los. In What the World Can Learn from the Fall of the West presenteert hij een indringende analyse van een beschaving die haar historische zelfvertrouwen heeft ingeruild voor zelfhaat.
Hij illustreert die zelfhaat met tal van voorbeelden en toont overtuigend aan wat daarvan de desastreuze gevolgen zijn. Hier zien we Sid op zijn sterkst. Maar wat is zijn remedie?
Sid pleit voor een herwaardering van het krachtige individu dat zich kritisch verhoudt tot een leven dat gedomineerd wordt door zelfhaat en daartegen rücksichtslos de aanval kiest. In eerder werk greep hij daarbij terug op begrippen als levensdrift (conatus), geldingsdrang (thymos) en strijd (agon).
Sid heeft hier duidelijk een punt. Het belang van die waarden kan moeilijk worden overschat. De vraag is alleen of die waarden voldoende zijn voor een heropleving van het aloude Westen. Welke waarden hebben het Europa gevormd zoals wij dat tot voor kort kenden? En ligt de weg vooruit werkelijk buiten Europa, of juist aan het front hier ter plaatse?
Met die vragen in het achterhoofd ga ik het gesprek aan met het nieuwe boek van Sid.
Sids diagnose: een beschaving gedreven door zelfhaat
De kern van Sids analyse is overtuigend. Het Westen heeft in belangrijke mate het geloof in eigen bestaansrecht verloren. Een cultuur die eeuwenlang werd gekenmerkt door vitaliteit, zelfvertrouwen, nieuwsgierigheid, vrijheid, expansiedrift, ondernemerschap en ongekende welvaart, lijkt tegenwoordig meer bevangen door schuldbesef en de obsessieve drang tot boetedoening. Waar eerdere generaties zich kenmerkten door competitie en een onuitputtelijke creativiteit en konden opbouwen, lijken wij tegenwoordig meer behept met eindeloze compensatiedrang.
In Nederland zien we dit terug in discussies over kolonialisme, nationale identiteit, immigratie en een geschiedenis beheerst door slavernij, uitbuiting en extreem geweld. Terwijl de grootheid van ons verleden nog wel wordt bezongen door Britten (Lisa Jardine, Jonathan Israel en Simon Schama) en Amerikanen (Julia Adams, Russell Shorto en Deirdre McCloskey), dreigen wij alleen nog oog te hebben voor haar schaduwzijden.
Natuurlijk kan een zeker vermogen tot kritische reflectie geen kwaad. Maar wanneer zelfkritiek omslaat in zelfhaat, dan wordt het ziekelijk. Een samenleving die haar bestaansrecht alleen nog ontleent aan het betalen van de rente van onze historische schuld, die is ten dode opgeschreven.
De symptomen zien we allerwegen. In plaats van hoop en optimisme, wordt ons een eindeloos schuldgevoel aangepraat. Inspiratie putten uit een roemrucht verleden is verboden. Het gevolg is toenemende twijfel aan onszelf, de onwil om de zin te zien van onze eigen voortplanting en het totale onvermogen onszelf nog te verdedigen tegen agressieve elementen van buitenaf.
Het menstype dat op deze manier ontstaat levert zich voor eigen ziel en zaligheid moeiteloos uit aan technocratische elites. Sid ziet scherp hoe deze elites hun legitimiteit ontlenen aan:
- de wetenschappelijke onderbouwing van het Westerse schuldcomplex,
- het vermogen ons te doen geloven dat boete alleen mogelijk is via een systeem van eindeloze herverdeling van middelen en macht via een systeem dat sterke gelijkenis vertoont met de laatmiddeleeuwse aflaathandel, en
- de pretentie van morele superioriteit die daarvan uitgaat tegenover het ordinaire volk dat zich laat opruien door die schandelijke populisten.
Het aloude publieke debat wordt ingeruild voor management. Wie fundamentele vragen stelt over migratie, nationale soevereiniteit of culturele identiteit wordt als een moreel probleem weggezet en zeker niet als serieuze politieke gesprekspartner gezien.
Met deze analyse raakt Sid wat mij betreft de kern van de problemen die zich op dit moment voordoen.
Conatus als antwoord
Tegenover deze ontwikkeling plaatst Sid een begrip dat hij eerder in Wees Afgrondelijk (Amsterdam Books, 2021) introduceerde: conatus. Ontleend aan Spinoza verwijst dit begrip naar de fundamentele drang van mens en gemeenschap om in hun bestaan te volharden en hun vermogens te vergroten. In Sids interpretatie krijgt conatus een uitgesproken existentiële en politieke betekenis. Mensen moeten opnieuw leren zichzelf serieus te nemen. Gemeenschappen moeten opnieuw de wil ontwikkelen zichzelf voort te planten. Beschavingen moeten opnieuw beseffen dat zij bestaansrecht hebben—los van de vraag of ze volgens de moreel verheven Westerse elites nu deugen of niet.
In veel opzichten staat deze interpretatie dicht bij Nietzsche's begrip van de wil-tot-macht. Niet de wil om anderen te domineren staat centraal, maar de wil om zichzelf te vormen, te overstijgen en de eigen mogelijkheden maximaal te ontplooien. Dat maakt conatus tot een waardevol medicijn tegen het tegenwoordige denken dat alleen nog opkomt voor het bestaansrecht van slachtoffers en positieve waarde toekent aan een beschaving die in staat is dat recht te laten gelden. Want inderdaad: mensen zijn meer dan de optelsom van hun trauma's. Zij beschikken over eigen handelingsvermogen en zijn in staat om verantwoordelijkheid te dragen voor zowel hun eigen keuzes als de situatie waarin zij zich op een bepaald moment bevinden.
Toch ontstaat hier wat mij betreft ook een belangrijke vraag. Want wat gebeurt er wanneer de menselijke drang tot zelfontplooiing zichzelf tot hoogste norm verheft? Wat gebeurt er wanneer de wil om te groeien niet langer wordt begrensd door een besef van menselijke beperktheid? De geschiedenis van de moderne tijd laat zien dat niet alleen revolutionaire ideologen, maar ook technocratische elites kunnen worden gedreven door een vrijwel onbegrensde wil de werkelijkheid naar hun hand te zetten. Juist daarom verdient Sids nadruk op conatus naar mijn overtuiging aanvulling.
Waarom conatus niet voldoende is
Sids conatus kenmerkt zich door zaken die in de Europese beschavingstraditie altijd van levensbelang zijn geweest: moed, eergevoel en zelfoverwinning. Inderdaad zijn ze alle drie onmisbaar als tegengif in een cultuur die gedomineerd wordt door een combinatie van zelfhaat en slachtoffercultus.
Maar om creatief te zijn dienen ze vergezeld te gaan van dat wat de oude Grieken phronesis noemden: praktische wijsheid en dat wat de Romeinen prudentia noemden: een zekere mate van discipline. Op die manier ontstond het vermogen kracht te verbinden met inzicht, ambitie met zelfbeheersing en moed met realiteitszin.
Een beschaving wordt immers niet alleen groot doordat zij handelt, maar ook doordat zij begrijpt waar de grenzen van haar handelen liggen. Zonder prudentie verandert moed in roekeloosheid, zelfvertrouwen in hoogmoed, competitie in ongeremde vernietigingsdrang en conatus in een wil tot totale beheersing.
Juist hier ligt een van de diepste inzichten van de christelijke traditie. De mens beschikt over grote vermogens, maar blijft een feilbaar wezen. Geen individu, geen partij, geen klasse en geen ideologie beschikt over volledige kennis van de werkelijkheid. De kracht van de Europese beschaving lag lange tijd juist in het besef dat macht begrensd moet worden, dat instituties elkaar moeten controleren en dat niemand zichzelf tot maat van alle dingen mag verheffen.
Wat het Westen werkelijk uniek maakte
Op dit punt wil ik Sid verder aanvullen. Een begrip als conatus—inclusief haar heroïsche associaties met oude Griekse begrippen als strijd (agon) en geldingsdrang (thymos)—is belangrijk, maar verklaart niet waarom juist het Westen zo uitzonderlijk succesvol werd. Een dergelijke heroïek is immers niet uniek Europees. Moed vinden we ook bij de Spartanen. Eergevoel vinden we ook bij de samoerai. Strijdlust vinden we in vrijwel iedere krijgerscultuur uit de wereldgeschiedenis.
De vraag is daarom niet wat Europa zo vitaal en krachtig maakte. De vraag is wat maakte dat Europa haar krachtige impulsen wist om te zetten in een beschaving die zich kenmerkte door een ongekende creativiteit en ons historisch gezien ongekende vrijheid en welvaart heeft opgeleverd.
Sid heeft gelijk: tegenover de huidige decadentie zijn onze aloude impulsen toe aan een grondige herwaardering. In plaats van die impulsen als ‘primitieve ondeugden’ te laten wegzetten—ondeugden die onze ‘moreel superieure’ beschaving zou hebben overwonnen—is het van levensbelang om ze opnieuw aan te boren.
Wat het Westen onderscheidde van veel andere beschavingen was het vermogen vitale impulsen te transformeren en productief te maken. Zo kreeg de behoefte aan competitie en strijd gestalte in ondernemerschap, de vrije markteconomie en politieke debatcultuur. De wil zich te onderscheiden vond een vreedzame uitlaatklep in wetenschap, technologische uitvindingen en intellectuele rivaliteit. De drang tot expansie werd zichtbaar in handel, innovatie en ontdekkingsreizen. Zelfs het verlangen de grenzen van het eigen bestaan te overstijgen werd omgezet in kunst, architectuur, muziek en filosofie.
De grootste prestatie van Europa was daarom niet alleen de ontdekking van de conatus als principe en drijvende kracht, maar de transformatie ervan tot iets dat zonder gêne ‘formidabel’ genoemd mag worden.
De christelijke transformatie van de heroïsche mens
Hier komen we bij een element dat in Sids werk naar mijn smaak onderbelicht blijft: het christendom. Niet omdat het Westen uitsluitend christelijk was. De Europese beschaving is het resultaat van de ontmoeting tussen Athene, Rome en Jeruzalem. Maar juist het christendom zorgde voor een beslissende transformatie van de heroïsche mens.
Het christendom schafte de aristocratische impuls niet af, maar plaatste haar in een bredere morele horizon. De krijger verloor zijn moed niet, de ondernemer zijn ambitie niet en de bestuurder zijn daadkracht niet. Wat veranderde was het kader waarbinnen deze eigenschappen betekenis kregen. Macht diende grenzen te worden gesteld. Vrijheid diende gepaard te gaan met verantwoordelijkheid. Succes diende te worden gedeeld om cumulatief effect te sorteren.
Dat alles niet vanuit de politieke opvatting dat eenheid meer is dan de som der delen—al was die Spartaanse tendens er in het Westen ook steeds. Wat het Westen uniek maakte was de spanningsvolle relatie die deze opvatting onderhield met de Joodse overtuiging dat het leven zelf in zijn veelkleurigheid altijd meer is dan de het geheel. Mogelijk dat het daarom ook niet toevallig Spinoza was die het begrip conatus muntte.
De mens werd niet langer uitsluitend gezien als lid van een bepaalde stam, een dynastie of een sociale klasse, maar als een wezen met inherente waardigheid. Dat inzicht had verstrekkende gevolgen. Het maakte kritiek op machthebbers mogelijk omdat ook zij onderworpen waren aan een hogere norm. Het bevorderde ondernemerschap omdat arbeid en creativiteit een positieve waardering kregen. Juist deze combinatie van dynamiek en morele begrenzing bleek buitengewoon vruchtbaar.
Cultuurmarxisme als perversie van het christendom
Ogenschijnlijk zien we de nadruk die in de christelijke traditie altijd gelegd is op de inherente waardigheid van het individu en haar hameren op de noodzaak van inclusiviteit het meest uitgesproken terug in het hedendaagse cultuurmarxisme.
Maar veel meer dan schone schijn is het niet. Want we zijn hier wel heel ver verwijderd van de oorspronkelijke gedachte dat wij mensen allen schepselen zijn van Hem die de bron van alle leven is. Net zoals we ver verwijderd zijn van de gedachte dat wij allen in gelijke mate feilbaar zijn en allemaal de neiging hebben onszelf beter voor te doen dan we zijn.
Omzien naar je naaste was in de christelijke traditie altijd een kwestie van die ander er met wat steun weer op eigen benen te leren staan en een tweede kans te geven. Dat kon door de naaste tot steun te zijn wanneer die buiten zijn schuld in de problemen was geraakt. Maar wanneer het wel degelijk zijn eigen schuld bleek te zijn, dan was er altijd de mogelijkheid tot bekentenis, vergeving en nieuwe kansen.
In de christelijke traditie vertegenwoordigden begrippen als ‘zonde’ en ‘schuld’ creatieve principes. Terwijl in een schaamtecultuur fouten en feilen worden ontkend of onder het tapijt geveegd, krijgen ze in een christelijke schuldcultuur een creatief potentieel door ze ook als fouten en feilen aan te wijzen en betrokkenen ter verantwoording te roepen en, tegelijk, de mogelijkheid te bieden het voortaan beter te doen.
Natuurlijk kende ook de christelijke traditie periodes waarin machthebbers zich met het oog op eigen gewin en machtsaanspraken het recht toe-eigenden te bepalen wat ‘zonde’ en ‘schuld’ was en daar hun aflaathandel mee legitimeerden.
Maar steeds weer opnieuw waren er tegenbewegingen binnen diezelfde traditie die daartegen in opstand kwamen en beweerden dat wij in de eerste plaats zondig en schuldig waren in Gods ogen. En dat Hij zelf al voor onze zonden en schuld betaald had en ons altijd de kans gaf weer overnieuw te beginnen.
Het is vooral in de tijd van Renaissance en Reformatie geweest dat dit idee tot volle ontplooiing kwam. De energie die dat mensen gaf is een van de belangrijkste katalysators geweest achter de explosie van creativiteit en ongekende ontplooiing van de menselijke mogelijkheden die de vroegmoderne tijd heeft gekenmerkt.
Daartegenover is het moderne christendom veranderd in een slachtoffercultus. Zijn individuen eenmaal tot voorwerp van de christelijke liefde gedefinieerd, dan kunnen ze aanspraak maken op onophoudelijke steun en oneindige vergevingsgezindheid.
Hun daden zijn tenslotte het resultaat van ongelukkige omstandigheden en niet een kwestie van eigen verantwoordelijkheid. Hun slachtofferschap is geen kwestie van individuele omstandigheden, maar simpelweg het feit dat ze behoren tot een groep die door ons Westerlingen altijd is uitgebuit en gediscrimineerd.
Net zoals het individu onveranderlijk slachtoffer is, zijn wij Westerlingen onveranderlijk daders. Dat alleen in het Westen de slavernij ooit is afgeschaft doet niet ter zake. Dat migranten hier kansen krijgen die ze in het land van herkomst niet hadden doet niets af aan hun status als slachtoffers.
Dat vrouwen steeds vaker het slachtoffer worden van geweldsmisdrijven door niet-Westerse allochtonen, is volstrekt onvoldoende om onze schuld aan de echte ‘slachtoffers’ af te betalen. De echte slachtoffers zijn hier niet meer dan een schamele rentebetaling op een schuld die zelf niet af te lossen valt.
En daarmee zijn we terug bij de destructieve zelfhaat die het Westen zich ook volgens Sid door het cultuurmarxisme heeft laten aanpraten. Maar laat niemand beweren dat het door haar gepropageerde schuldbesef een authentiek christendom vertegenwoordigt—integendeel; het is er de volstrekte perversie van.
Herbronning: terug naar de vitale kern
In een tijd die ideologisch gedreven wordt door zelfhaat, is herbronning noodzakelijk—althans, als we terug willen naar een beschaving waarin vitaliteit, vrijheid, creativiteit en welvaart opnieuw hand in hand gaan.
Het gaat daarbij uiteraard niet om een nostalgische terugkeer naar een geïdealiseerd verleden—Grieks, Romeins, onze eigen Gouden Eeuw, of zelfs de grote heropleving van onze cultuur eind 19e eeuw.
Het soort herbronning waarnaar ook Sid op zoek is, dient gevonden in de aloude levenslust die de helden kenmerkte die onze beschaving met vallen en opstaan en met veel bloed, zweet en tranen hebben gevormd.
Deze oerkracht—Spinoza’s conatus, Nietzsche’s machtswil—die elk mens bij het prille begin van zijn of haar leven is meegegeven. De manier waarop die oerkracht zich manifesteert kenmerkt zich inderdaad door strijd om de noodzakelijke ruimte om zich te kunnen ontplooien en de honger naar erkenning van eigen kunnen bij het najagen van eigen doelen.
Vervolgens staat of valt naar mijn overtuiging alles met de vraag of onze huidige cultuur die eigenschappen voldoende waardeert om die oerkracht niet te onderdrukken, maar in positieve richting te ondersteunen, kanaliseren en sublimeren.
Meer dan welke andere beschaving is het de christelijke geweest die elk individu de roeping heeft meegegeven niet alleen zijn of haar eigen talenten maximaal te ontplooien, maar ook alle mogelijkheden die onze aarde ons biedt. Tegelijkertijd heeft ze de onderliggende energieën dusdanig weten te kanaliseren en sublimeren dat ze een beschaving voortgebracht heeft die ook concurrerende beschavingen altijd fascineerde.
Religie was in deze context niet louter troost of, zoals Sid soms suggereert, een vorm van ‘hopium’. Het christendom functioneerde eeuwenlang juist als een krachtige levensfilosofie. Het gaf mensen vertrouwen dat hun inspanningen betekenis hadden, dat de werkelijkheid begrijpelijk was en dat mislukking nooit het laatste woord had.
Naar mijn overtuiging ligt daarin wel de diepste verklaring voor de ongekende creativiteit van het Westen. De combinatie van aristocratische zelfvorming, vertrouwen in een zinvolle werkelijkheid, ruimte voor persoonlijke verantwoordelijkheid en het geloof dat de mens ondanks zijn feilen en fouten altijd opnieuw kan beginnen.
Een nieuw geluid, een nieuwe lente
Hier wordt ook Sids idee van een nieuwe lente opnieuw relevant. Een van de meest waardevolle inzichten uit zijn werk is dat die niet begint bij verkiezingsuitslagen of politieke macht, maar bij karaktervorming. Zij begint bij mensen die zich door een heersende ideologie van zelfhaat niet in de luren laten leggen, zich hun levenslust niet laten afpakken, de moed grijpen tegen de stroom in te denken en verantwoordelijkheid te dragen voor hun eigen vrijheid.
Deze nieuwe generatie burgers zal zich niet kunnen ontplooien binnen veel van de bestaande structuren. Een bijdrage leveren aan het publieke debat is een ding. Maar de echte scheppende daad bestaat uit de bewuste keuze voor een bepaald type mensen waarmee we duurzame relaties aangaan, de vorming van nieuwe gemeenschappen, alternatieve instellingen, onafhankelijke media, een nieuwe zuil zelfs.
Misschien ligt daarin wel de belangrijkste les, ook voor Nederland. Een nieuwe lente begint niet bij de staat, maar bij burgers. Zij begint bij gezinnen die investeren in opvoeding, ondernemers die verantwoordelijkheid nemen, scholen die kennis serieus nemen, verenigingen die gemeenschapszin cultiveren en kerken die opnieuw beseffen dat zij meer zijn dan beheerders van een religieus erfgoed.
De eigenlijke strijd
Moeten mensen zoals Sid Nederland verlaten om van buitenaf de strijd voort te zetten? Dat is uiteindelijk een persoonlijke keuze. Voor sommigen kan afstand zelfs helpen om nog scherper te zien wat er in Europa misgaat.
Voor Nederland als beschaving kan emigratie echter geen antwoord zijn. Een beschaving wordt niet gered vanaf de zijlijn. Zij wordt vernieuwd door mensen die bereid zijn verantwoordelijkheid te nemen voor de gemeenschap waarin zij leven.
De uitdaging voor Nederland is daarom niet in de eerste plaats politiek, maar cultureel en spiritueel van aard. Zij vraagt om een hernieuwd gevoel van verantwoordelijkheid voor het gemeenschappelijke huis dat eerdere generaties hebben opgebouwd. Dat veronderstelt zelfkennis in plaats van zelfhaat, prudentie in plaats van utopisch denken en een herontdekking van wat Sid terecht aanduidt als conatus: de wil om te bestaan, te bouwen en door te geven.
Wanneer wij opnieuw de unieke synthese weten te hervinden van Joodse levenslust, Griekse excellentie, Romeinse burgerdeugd, christelijke waardigheid en moderne ondernemingszin, dan hoeft het verhaal van het Westen niet te eindigen met verval. Dan kan uit de herfst alsnog een nieuwe lente ontstaan.
Naar aanleiding van:
Sid Lukkassen, What the World Can Learn from the Fall of the West. Uitgave van Academica Press te Washington, 2026; 380 pag.; $ 79,95 hardback, $ 25 paperback.
Gerelateerde artikelen
ActueelRecensie - De visie van Toergenjev en de parallellen met het heden
Oost-Europadeskundige Marie-Thérèse ter Haar laat ons in haar laatste boek de westerse beeldvorming over Rusland kritisch bevragen door ons door de bril van Toergenjev te laten kijken. De kracht van h...
ActueelHard en zacht totalitarisme: Orwell, Huxley en de blinde vlek van links
Hans van de BreevaartWeinig twintigste-eeuwse denkers worden op dit moment zo vaak in één adem genoemd als George Orwell en Aldous Huxley. Hun werk geldt nog steeds als oriëntatiepunt in het debat ove...
ActueelJezus: Mens en God! Maar hoe dan?
Een zoektocht naar de actuele relevantie van een oeroud kerkelijk dogmaHans van de BreevaartWat heeft het kerkelijke dogma dat Jezus niet alleen mens was, maar ook God, ons tegenwoordig nog te zeggen?...
Nieuwsbrief
Blijf op de hoogte.
Onze nieuwste analyses, essays en aankondigingen over wetenschap, cultuur en de geschiedenis van ideeën, rechtstreeks in uw inbox. Geen spam. Geen reclame.