
Een zoektocht naar de actuele relevantie van een oeroud kerkelijk dogma
Hans van de Breevaart
Wat heeft het kerkelijke dogma dat Jezus niet alleen mens was, maar ook God, ons tegenwoordig nog te zeggen? Is dat een politiek statement uit een tijd dat het christendom dat met keizer Constantijn de Grote (273-337) feitelijk de macht had overgenomen in het Romeinse Rijk? Of is het de belijdenis van een diep doorleefd geloof dat de transformatie die volgens de Bijbelse Evangeliën (geschreven tussen 65-100 na Christus) in Jezus gestalte had gekregen ook in ieder van ons op een of andere manier realiteit kan worden?
Tijd om, zo kort nadat we de geboorte van Jezus vierden, die vragen eens nader onder de loep te nemen aan de hand van twee recent verschenen studies. Allereerst zal ik ingaan op Henk Bakker’s Christus. Hoe het geloof in Jezus zich ontwikkelde in het vroege christendom. Vervolgens ga ik in op een spraakmakende studie van Geurt Henk van Kooten, getiteld Echo’s van het goede nieuws De evangeliën in context, toen en nu. Beide studies proberen nadrukkelijk niet Jezus’ menselijkheid tegen zijn goddelijkheid uit te spelen, of omgekeerd. Maar ze doen dat elk wel op dusdanig eigen wijze, dat de uitkomsten ook danig verschillen. Mede daarom, tenslotte, aandacht voor de vraag wat wij met de inzichten uit beide studies kunnen, juist nu!
Bakker: Jezus als bevrijder van onderdrukten…
Henk Bakker is hoogleraar op de James Wm. McClendon Chair of Baptistic and Evangelical Theologies aan de Vrije Universiteit van Amsterdam. Als zodanig staat hij in de traditie van wat wel ‘de radicale reformatie’ genoemd wordt, en die geïnspireerd is op het werk van de doopsgezinde Menno Simons.
Belangrijk in die traditie is dat het christelijk geloof niet zozeer een verzameling is van voorgeschreven dogma’s uit lang vervlogen tijden, maar veeleer een diep doorleefde persoonlijke ervaring. Voor Bakker is dat niet alleen maar iets van het innerlijk; het vertaalt zich nadrukkelijk ook in politieke stellingnames. Daarbij speelt dat de doopsgezinden historisch gezien door de heersende macht (eerst die van de Rooms-katholieke kerk en de Habsburgse keizers, maar later ook die van de Calvinistische politieke leiders van de opkomende natiestaten) werden onderdrukt en soms zelfs actief vervolgd. Dat vertaalt zich bij Bakker in een sterke affiniteit met wat hij noemt ‘onderdrukte minderheden’ vandaag de dag—vrouwen, seksuele minderheden, migranten, etc.
En u raadt het al: Jezus is volgens hem in de Bijbelse evangeliën en zelfs ook in de brieven van de apostel Paulus de Jood die zich van Godswege gezonden weet om zich te ontfermen over mensen die door de mainstream worden uitgekotst en buitengesloten—kreupelen, blinden en melaatsen, maar ook hoeren, buitenlanders en zelfs zij die heulen met de bezettende macht: belastingambtenaren. Jezus is degene die ze uit hun geneest en hen in zijn kring van volgelingen opneemt, ze uit hun isolement haalt en continu ageert tegen de onderdrukkers. Daarbij moet in het geval van Jezus niet zozeer gedacht worden aan de Romeinen, maar aan de Joodse wereldlijke autoriteiten (de sadduceeën, die zich opwierpen als de handlangers van de Romeinse landvoogd) en de nieuw opkomende religieuze leiders (de farizeeën, met hun afkeer van iedereen die zich niet strikt aan de Joodse wetten hield).
…geïnspireerd door de feministische theologie…
Bakker is eerlijk: hij heeft zich voor die visie laten inspireren door een feministische theoloog als Elisabeth Schüssler Fiorenza (1938-). Zij hanteert een, wat zij noemt, 'hermeneutiek van de achterdocht'. Het gaat hier om een manier van tekstinterpretatie die ‘tussen de regels door leest’ en zich daarbij laat inspireren door teksten die uiteindelijk geen onderdeel zijn geworden van de historische canon. Deze manier van lezen is bedoeld om, aldus Bakker zelf: ‘patriarchale, koloniale en machtsstructuren in theologische constructies bloot te leggen’.
In een dergelijke leestraditie wordt een sterke nadruk gelegd op Jezus’ menselijkheid, zijn medelijden met mensen, zijn eigen lijden en sterven in handen van machthebbers die, gesteund door het ordinaire gepeupel, in hem een bedreiging zagen voor de status quo.
Jezus’ aanspraak op goddelijkheid wordt daarbij als een latere toevoeging van de traditie gezien die in hem vooral een overwinnaar en voorloper van de christelijke Romeinse keizers zag. Het is tegen die achtergrond dat Bakker zoveel moeite heeft met de abstracte wijze waarop Jezus’ goddelijkheid in het christelijke dogma is vastgelegd. Daarmee wordt zijns inziens tekort gedaan aan Jezus’ worsteling met de machten van zijn tijd en het feit dat hij uiteindelijk aan het kruis stierf—iets dat in de Grieks-Romeinse wereld van die dagen ondenkbaar was.
Jezus’ menselijkheid wordt nog eens extra benadrukt door de aandacht die Bakker schenkt aan de buiten-Bijbelse bronnen als het Evangelie van Maria. Daarin wordt Maria Magdalena—door de kerkelijke traditie vaak als hoer weggezet— niet alleen maar als volgelinge van Jezus wordt voorgesteld, maar als een vrouw met wie hij seksuele relatie onderhield en van wie hij kinderen had.
…en de strijd tegen het fascisme
Het is uitstekend om zoveel nadruk te leggen op Jezus’ menselijkheid en de zorg die hij besteedde aan zijn hulpbehoevende medemensen. Dat daarbij de hulp ingeroepen wordt van buiten-Bijbelse teksten uit verzet tegen de wijze waarop de canon wel heel erg gestempeld is door een wat al te Platoons aandoend Jezusbeeld—die verleiding snap ik.
Daarnaast is het heel goed voorstelbaar dat Jezus door mensen destijds voor God werd aangezien op basis van zijn verschijning en de trouw aan wat hij kennelijk als zijn roeping zag. We zien een dergelijk mechanisme ook optreden bij meer recente voorbeelden van mensen die tot in de dood trouw bleven aan een door henzelf ervaren roeping. Denk aan de mythische status die de Duitse theoloog Dietrich Bonhoeffer (1906-1945) in christelijke kringen heeft gekregen. Laatstgenoemde maakte deel uit van een complot om Adolf Hitler om het leven te brengen. Het plan lekte uit en Bonhoeffer werd opgepakt en tot de strop veroordeeld. Enkele weken voor de bevrijding werd op bevel van Hitler zelf de doodstraf aan hem voltrokken.
In de zoektocht naar moderne heiligen bleek Bonhoeffer een perfecte navolger van Jezus. Wat hem onder gelovigen die zich aan de linkerzijde van het politieke spectrum bevinden nog aantrekkelijker maakt—Bakker zelf heeft ooit op een kandidatenlijst voor de ChristenUnie gestaan—is het feit dat hij in opstand kwam tegen een figuur waarvan er volgens hen op dit moment opnieuw de nodige rondlopen—de Trumps, Orbáns en Poetins van deze wereld. De Bonhoeffers van deze wereld staan symbool voor iedereen die zich op dit moment onderdrukt voelt.
Door Jezus en iemand als Bonhoeffer zo nadrukkelijk voor een bepaalde politieke agenda te claimen, wordt hun beider aanspraak op goddelijkheid dan wel heiligenstatus wel heel afhankelijk gemaakt van de politieke waan van de dag en te ontaarden in een soort van slachtoffercultus die parasiteert op rancune.
Dat is uiteraard niet de intentie van Bakker—hij probeert nadrukkelijk te appelleren aan de liefde die in de Jood Jezus gestalte kreeg en waarnaar in de christelijke traditie steeds weer verwezen dient te worden in de strijd tegen onrecht en onderdrukking.
Maar het is de vraag of Bakker daarmee recht doet aan dat waar Jezus voor stond. Was de goddelijkheid die de traditie aan Jezus heeft toegekend het resultaat van diens politieke handelen? Of moeten we de oorsprong van die goddelijkheid toch (ook) ergens anders zoeken? Geurt Henk van Kooten bepleit het laatste.
Van Kooten: Jezus als bron van innerlijke transformatie
Van Kooten is Lady Margaret’s Professor of Divinity aan de Universiteit van Cambridge. Deze leerstoel werd ooit bekleed door de grote humanist Desiderius Erasmus. In deze katholiek-reformatorische traditie wordt volgens de beste historisch-kritische methodes aan Bijbelwetenschap gedaan. Typisch humanistisch is de aandacht die daarbij besteed wordt aan de historische ontwikkeling van teksten en de contexten waarin zij uiteindelijk vorm kregen.
Daarbij komt Van Kooten tot een conclusie die ingaat tegen de heersende consensus waarvan we ook Bakker eerder al zagen uitgaan. Daarin wordt ervan uitgegaan dat een aardse Jezus uiteindelijk goddelijke proporties kreeg in de latere traditie. Om die reden worden de drie meer vertellende evangeliën (Marcus, Mattheüs en Lucas) eerder gedateerd dan het meer theologische evangelie (Johannes). Daarbij geldt als stelregel: hoe Joodser de tekst, hoe ouder die wordt ingeschat; wanneer het aantal Grieks-wijsgerige elementen (met name de invloed van het Plato en diens leerling Plotinus) toeneemt, hoe jonger de tekst moet zijn.
Volgens Van Kooten is dat onzin. Zo heeft het evangelie van Johannes nog geen weet van de verwoesting van de tempel in Jeruzalem. Daarnaast duidt de aanwezigheid van Grieks-wijsgerige elementen niet noodzakelijkerwijs op latere ontwikkelingen. In meer ontwikkelde kringen werden die destijds veelvuldig ingezet om betekenis te geven aan historische gebeurtenissen.
Bovendien: de oudste geschriften uit wat later de christelijke traditie zou gaan heten—de brieven van Paulus—vormen een indrukwekkende wijsgerige interpretatie van Jezus’ doen en laten op deze aarde. Zie daarvoor meer uitgebreid Van Kooten’s Paulus en de kosmos. Het vroege christendom te midden van de andere Grieks-Romeinse filosofieën (2002).
…komend als de Logos van Godswege…
Van Kooten concludeert dat het evangelie van Johannes direct na de brieven van Paulus (55-65 na Christus) moet worden gedateerd (ongeveer 65). In dit evangelie wordt de goddelijke oorsprong van Jezus op ongeëvenaarde wijze vertolkt (Joh. 1:1-14, vertaling NBV 1951):
- In den beginne was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God.
- Dit was in den beginne bij God.
- Alle dingen zijn door het Woord geworden en zonder dit is geen ding geworden, dat geworden is.
[….]
10. Hij was in de wereld, en de wereld is door Hem geworden, en de wereld heeft Hem niet gekend.
11. Hij kwam tot het zijne, en de zijnen hebben Hem niet aangenomen.
12. Doch allen, die Hem aangenomen hebben, hun heeft Hij macht gegeven om kinderen Gods te worden, hun, die in zijn naam geloven;
13. die niet uit bloed, noch uit de wil des vlezes, noch uit de wil eens mans, doch uit God geboren zijn.
14. Het Woord is vlees geworden en het heeft onder ons gewoond en wij hebben zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van de eniggeborene des Vaders, vol van genade en waarheid.
Duidelijk is dat we hier te maken hebben met een claim die, om zo te zeggen, van de andere kant komt. Terwijl Bakker vooral de beweging van onderop benadrukte (wij verklaren iets voor goddelijk omdat het ons als iets buitengewoons voorkomt), wijst Van Kooten hier op de beweging van bovenaf—de Logos is hier als Licht van Godswege de vormende kracht in de schepping en tegelijk een verlossende kracht voor alles wat nog altijd gevangen is in duisternis.
…gericht op innerlijke verandering…
Van Kooten ziet in de wijze waarop die verlossing als metamorfose in het Johannes-evangelie beschreven wordt parallellen met de manier waarop de dichter Ovidius daarvan in zijn werk gebruikmaakt. Jezus' menselijkheid is hier verankerd in historische realiteiten. Hij leeft onder Romeinse bezetting, maar houdt religie en politiek zorgvuldig gescheiden en zet hij, als een Joodse Socrates, aan tot een innerlijke zoektocht naar waarheid.
Veel meer dan in de Griekse traditie fungeert de weg naar waarheid als een transformatieve kracht die mensen aanzet tot daadwerkelijke gedragsverandering. De vele parabels die hij vertelt werpen niet alleen licht op de werkelijkheid, maar kenmerken zich door hun emotionele lading. Hij drijft daarnaast demonen uit en vergeeft zonden in zijn eigen Naam. Sterker nog: hij claimt zelf de Weg, de Waarheid en het Leven te zijn.
De transformatieve kracht die Jezus belichaamt culmineert in de metamorfose die hem in het gezelschap van de Joodse profeten Mozes en Elia doet verschijnen als bovenmenselijk (Mattheüs 17:1-8). Dat gebeurt op een wijze die ook in de Griekse wereld was voorbehouden aan aardse godenzonen, zo stelt Van Kooten (hij verwijst daarbij naar de zonen van Zeus en, meer specifiek, Dionysus en Demeter. Daarbij is het nadrukkelijk niet zo dat Jezus verandert in een god, maar dat zijn goddelijke karakter op dat moment voor mensen direct zichtbaar werd.
Wij allen kunnen delen in de transformatieve kracht van Jezus goddelijkheid. Voor gelovigen staat de weg open om aan Christus’ beeld gelijkvormig te worden en deel te krijgen aan zijn goddelijkheid (Joh. 14:12, Romeinen 8:29, Filippenzen 3:21). Anders dan bij de Grieken en in overeenstemming met de Joodse traditie is daartoe nodig dat wij bereid zijn onze fouten te erkennen, schuld te bekennen, open te staan voor Gods vergevende genade en bereid zijn om het voortaan beter te doen.
…inclusief de daarmee gepaard gaande gedragsverandering
Volgens Van Kooten vertaalt die transformatie zich bij Jezus en zijn volgelingen vervolgens niet in politiek activisme; in de evangeliën wordt steeds nadrukkelijk een religieuze en geen politieke weg gewezen. Hetzelfde zien we bij Paulus waar we een vertaling vinden in de richting van een persoonlijke deugdenleer—al betekent dat bij hem zeker niet dat mensen die deze deugden vertonen ook per definitie deugen.
Wij mensen bereiken nooit een staat van perfectie—laat staan dat wij in staat zijn om de hemel op aarde te realiseren. Dat ontslaat ons niet van de plicht om te zien naar onze naasten; maar steeds opnieuw in het besef dat er altijd armoede, ziekte en dood zullen zijn. Precies zoals Jezus hen ook had voorgehouden. Sterker nog: hijzelf zou uiteindelijk eindigen aan het kruishout.
Van Kooten refereert daaraan slechts zijdelings, maar zelfs in dat lijden, sterven en zijn daarop volgende opstanding zat een ongekende transformatieve kracht. Toen hij de gevestigde machten met zijn optreden zodanig tegen zich in het harnas had gejaagd dat zij hem gevangen wilden nemen, was hij bereid zich zonder geweld over te geven op voorwaarde dat zijn volgelingen vrijuit zouden gaan. Op deze deal is de gedachte van Jezus’ plaatsvervangend lijden en sterven geïnspireerd—een gedachte die de afgelopen tweeduizend jaar miljarden mensen een ongekende energie heeft gegeven om het goede te doen.
Kunnen wij vandaag nog iets met deze visies op Jezus?
In een tijd die soms totaal van God los lijkt is het de vraag wat we met de goddelijkheid van Jezus aan moeten. Volgens Bakker is het dusdanig buitengewoon om voor zogenaamde mislukkelingen, minderbedeelden en mensen die onderdrukt worden op te komen, dat de inzet daarvoor voor omstanders genoeg was om Jezus goddelijke status toe te kennen. Het feit dat Jezus dat deed met gevaar voor eigen leven en bereid was zichzelf voor hen op te offeren versterkt die neiging alleen maar. Dat is ook waaraan, meer recent, Bonhoeffer zijn huidige heiligenstatus te danken heeft.
Op zichzelf is die neiging tot vergoddelijking of heiligverklaring ook niet verkeerd. Voor een deel heeft onze cultuur haar vitaliteit en succes te danken aan het feit dat zij geprobeerd heeft elk individu, zogezegd, in zijn of haar kracht te zetten.
Van slachtoffercultus…
Anders wordt het echter wanneer die toegekende goddelijke status louter te danken is aan het simpele feit dat iemand zich ontfermt over zogenaamde slachtoffers van bepaalde omstandigheden of machtsmisbruik. Dan krijgt het slachtoffer-zijn zelf een status toegekend waardoor ze per definitie niet langer gelijkwaardig zijn aan niet-slachtoffers. Dan wordt slachtofferschap een excuus voor discriminatie en ook moreel feilen door de vingers te zien.
Wanneer van slachtofferschap een politiek programma wordt gemaakt, dan wordt het al snel ook een excuus om zich te vergrijpen aan het bezit (via belastingen of regelrechte diefstal), het lichaam (aanranding of verkrachting, bestraft met taakstraf of tbs) of zelfs het leven (bestraft met iets verzwaarde taakstraf of tbs) van niet-slachtoffers, zonder dat dit alles ook maar enig gevolg heeft voor de status van betrokken ‘slachtoffers’—die is intrinsiek en blijft onveranderd van kracht.
Daarnaast zien we een proces waarbij de schuld van ‘slachtoffers’ wordt overgedragen op niet-slachtoffers. Dat zagen we onlangs nog bij de moord op Lisa, waarbij er direct een beweging op gang kwam om de problemen die een bepaalde categorie asielzoekers (die van alleenstaande jonge mannen) veroorzaken weg te strepen door er een ‘witte mannen’-probleem van te maken.
En tenslotte hebben we nog het Engelse Rotherham, waarbij gangs van zogenaamde ‘slachtoffers’ zich decennialang vergrepen aan grote aantallen lokale meisjes. De meisjes werden daarbij als schuldigen aangewezen. Hulpverleners en lokale autoriteiten hielden zich in het beste geval doof voor de klachten van ouders—in het ergste geval werden die laatsten ze voor ‘racistisch’ en ‘xenofoob’ uitgemaakt en in een enkel geval zelfs uit de ouderlijke macht ontzet, terwijl betrokken meisjes soms uit pure wanhoop zelfmoord pleegden.
Een dergelijke obsessie met ‘slachtoffers’, ten koste van de echte slachtoffers is weliswaar het niet zelden het product van een politiek van goede bedoelingen en christelijke naastenliefde. Maar wanneer die zich geen rekenschap wenst te geven van de destructieve gevolgen van haar beleid, dan verkeerd ze in de ergste vormen van onrecht. Het uiteindelijke gevolg is namelijk discriminatie, stelselmatig onrecht en mannen die onder toeziend oog van de autoriteiten zich op gruwelijke manier vergrijpen aan machteloze meisjes.
…naar gelijkheid van elk individu als kind van God
In plaats van genoemde obsessie met slachtofferschap (die uitgaat van het negatieve) geef ik de voorkeur aan een cultuur die gebaseerd is op gelijkwaardigheid van mensen op basis van ons aller geschapen zijn naar Gods beeld (gaat uit van het positieve). In plaats van slachtoffers te zien als slachtoffers, maar als individuen die het vanzelfsprekende recht hebben op de ruimte om de eigen gaven en talenten tot maximale ontplooiing te brengen.
Dat dient, in navolging van Jezus, niet te gebeuren via een of ander politiek program, maar op eigen initiatief, binnen gemeenschappen waarin elk individu telt en—desnoods met hulp van iemand die beschikt over de benodigde transformatieve krachten—zo snel mogelijk tot zijn of haar recht komt en een eigen plek vindt.
Dat is, nogmaals, wat Jezus deed. Hij bevrijdde mensen van banden die hen verhinderden tot ontplooiing te komen. Daarbij trok hij zich niets aan van de destijds gangbare stigma’s. Of hij nu wel of geen vrouw gehad heeft doet niet ter zake wanneer het gaat om zijn waardering voor vrouwen in het algemeen.
Het feit dat Maria Magdalena volgens de evangeliën Jezus’ voeten waste (zie afbeelding boven dit essay) en de eerste getuige was van zijn opstanding, bewijst dat voldoende (de halo rond het hoofd van Maria onderstreept dat ook zij volgens de traditie tot de heiligen behoorde). Hij had demonen van haar uitgedreven en zij had, mede als gevolg daarvan, een transformatie doorgemaakt die haar in staat stelde eindelijk haar leven op te pakken.
Om ertoe te doen had ze het niet ook nog nodig om Jezus’ vrouw te zijn en zijn kinderen te dragen—of het moest zijn dat betrokken christenen het krijgen van kinderen tot de essentie van het vrouw-zijn rekenen. Maar op dat laatste kan ik hen doorgaans niet betrappen.
Het kan zijn dat onder invloed van de Platoonse filosofie dat laatste element uit haar leven bewust buiten de traditie is gehouden—alsof het hebben van een vrouw en kinderen afbreuk zou doen aan Jezus’ goddelijkheid. Maar of een dergelijk verdringingsproces echt heeft plaatsgevonden, is op zijn zachtst gezegd nogal speculatief.
Ten slotte
Dat Jezus op zeer bijzondere wijze Gods Logos, Licht en Liefde in deze wereld heeft vertegenwoordigd, staat op basis van de traditie buiten kijf. Laat zijn leven een appel aan ons zijn om, elk op onze eigen wijze en in overeenstemming met onze eigen gaven en talenten, iets daarvan uit te stralen naar de wereld om ons heen. Dat ook in ons leven de goddelijke vonk, die volgens de traditie in ons allen aanwezig is, niet gedoofd, maar juist steeds feller mag gaan opvlammen. Zodat we meer op Jezus gaan lijken en, in het verlengde daarvan, meer op God zullen lijken.
Want dat we met die intentie en de mogelijkheden daartoe geschapen zijn, daarop legt Van Kooten in navolging van de evangeliën terecht de nadruk. Wanneer we, zoals Bakker doet, daarbij de nadruk leggen op de strijd tegen zoiets als ‘patriarchale en koloniale structuren’, dan dreigt God wel heel erg versmald te worden en gevangen te raken in een slachtoffercultus waarbij alleen een progressieve elite zich tot de navolgers van Jezus rekent—inclusief de daarbij behorende goddelijkheid. Dat lijkt me echt te veel eer voor diezelfde elite en te weinig getuigen van het besef dat God ook in gewone mensen en zelfs in een christelijke cultuur woning kan houden.
Naar aanleiding van:
Henk Bakker, Christus. Hoe het geloof in Jezus zich ontwikkelde in het vroege Christendom. Uitgave van KokBoekencentrum te Utrecht, 2025; 648 pag.; € 32,99.
Geurt Henk van Kooten, Echo’s van het goede nieuws. De evangeliën in context, toen en nu. Uitgave van KokBoekencentrum te Utrecht, 2025; 358 pag.; € 29,99.
Gerelateerde artikelen
ActueelOver leven na de val van het Westen
Een gesprek met Sid Lukkassen over verval, herbronning en een nieuwe toekomst voor NederlandHans van de BreevaartInleidingDr. Sid Lukkassen mag dan Nederland hebben verlaten, Nederland en het Westen l...
ActueelRecensie - De visie van Toergenjev en de parallellen met het heden
Oost-Europadeskundige Marie-Thérèse ter Haar laat ons in haar laatste boek de westerse beeldvorming over Rusland kritisch bevragen door ons door de bril van Toergenjev te laten kijken. De kracht van h...
ActueelHard en zacht totalitarisme: Orwell, Huxley en de blinde vlek van links
Hans van de BreevaartWeinig twintigste-eeuwse denkers worden op dit moment zo vaak in één adem genoemd als George Orwell en Aldous Huxley. Hun werk geldt nog steeds als oriëntatiepunt in het debat ove...
Nieuwsbrief
Blijf op de hoogte.
Onze nieuwste analyses, essays en aankondigingen over wetenschap, cultuur en de geschiedenis van ideeën, rechtstreeks in uw inbox. Geen spam. Geen reclame.