Sinds 2021 wordt de Code Diversiteit en Inclusie structureel meegenomen door overheden en cultuurfondsen als onderdeel van subsidietoetsing. Formeel gezien wordt alleen verwacht dat je als subsidieontvanger deze code ‘onderschrijft’, daartegenover is het niet uit te sluiten dat ontvangers gekort worden op subsidie als blijkt dat ze onvoldoende doen om ‘Diversiteit en Inclusie’ te waarborgen.

Over deze grijze zone stellen wij Kamervragen, om precies te weten te komen hoe deze subsidietoetsing wordt uitgevoerd.

Wat Forum voor Democratie betreft moet de kunstsector een vrije ruimte zijn, waar alles mogelijk is. Elke subsidieverstrekking die in de eerste plaats uitgaat van diversiteit en inclusiviteit breekt deze vrije ruimte steeds verder af. Musea en kunstenaars worden in een mal gedrukt om maar subsidie te kunnen ontvangen.

Kamervragen van het lid Van Duijvenvoorde over de Code Diversiteit en Conclusie:

1. Bent u bekend met het diversiteits- en inclusiebeleid van gesubsidieerde musea, waaronder het Stedelijk Museum Amsterdam, en de wijze waarop dit beleid doorwerkt in het aankoopbeleid van museale collecties?

2. Deelt u de opvatting dat kunstsubsidies nooit mogen leiden tot (directe of indirecte) uitsluiting van kunstenaars op basis van persoonskenmerken zoals huidskleur, afkomst of seksuele geaardheid?

3. Is het u bekend dat binnen de culturele sector de perceptie bestaat dat het niet actief voeren van diversiteitsbeleid kan leiden tot een lagere subsidiebeoordeling? Acht u deze perceptie wenselijk?

4. Kunt u bevestigen, ja of nee, dat “diversiteit en inclusie” een formeel beoordelingscriterium is bij subsidies die via de Raad voor Cultuur en het Mondriaan Fonds worden toegekend?

5. Indien ja, kunt u exact aangeven welk gewicht dit criterium heeft ten opzichte van artistieke kwaliteit in de beoordelingssystematiek (bijvoorbeeld in punten, wegingsfactoren of drempelcriteria)?

6. Kunt u bevestigen, ja of nee, dat subsidieaanvragen zonder expliciete doelstellingen op het gebied van diversiteit en inclusie structureel lager worden beoordeeld dan aanvragen die deze wel bevatten? 

7. Indien nee, kunt u de beoordelingsrichtlijnen overleggen waaruit dit blijkt?

6. Kunt u bevestigen, ja of nee, dat instellingen die expliciet stellen uitsluitend artistieke kwaliteit als leidend criterium te hanteren, zonder aanvullende maatschappelijke doelstellingen, geen verhoogd risico lopen op afwijzing of korting?

7. Indien u dit niet kunt bevestigen: erkent u dan dat er sprake is van indirecte beleidssturing vanuit de overheid op artistieke keuzes van musea?

8. Acht u het verenigbaar met de publieke taak van musea dat zij in hun aankoopbeleid expliciete prioriteiten communiceren die gebaseerd zijn op identiteitskenmerken van kunstenaars?

9. Acht u het verenigbaar met het gelijkheidsbeginsel dat musea in subsidieaanvragen kwantitatieve doelen formuleren voor aankopen op basis van kenmerken van kunstenaars, zoals afkomst of gender?

10. Kunt u uitsluiten, ja of nee, dat dergelijke kwantitatieve doelen in de praktijk functioneren als de facto quota, ondanks het ontbreken van die term in beleidsdocumenten?

11. Bent u bereid alle beoordelingskaders, handreikingen en interne richtlijnen die subsidiecommissies gebruiken bij de beoordeling van diversiteit en inclusie openbaar te maken?

12. Bent u bereid te onderzoeken of het huidige subsidiekader voldoende waarborgen bevat om ideologische eenzijdigheid bij gesubsidieerde culturele instellingen te voorkomen?

13. Hoe ziet u uw rol als minister in het bewaken van pluriformiteit in de kunstsector, zowel inhoudelijk als institutioneel?

14. Bent u bereid een onafhankelijke evaluatie te laten uitvoeren naar de effecten van diversiteitscriteria op artistieke vrijheid en pluriformiteit binnen de gesubsidieerde cultuursector?

15. Bent u bereid deze vragen afzonderlijk te beantwoorden?