Agelopen donderdag diende Stephan van Baarle (DENK) de volgende motie in:

De Kamer,

Gehoord de beraadslaging,

Constaterende dat uit berekeningen van het Centraal Planbureau blijkt dat het aantal personen in armoede niet afneemt,

Van mening dat het tegengaan van armoede de hoogste prioriteit verdient en het aantal personen in armoede altijd dient af te nemen,

Verzoekt de regering er zorg voor te dragen dat er in 2027 minder personen in armoede leven en hier concrete doelen voor te stellen,

en gaat over tot de orde van de dag.

Op het eerste gezicht zou je kunnen zeggen: “Minder armoede, wie kan daar nou tegen zijn?” Zo simpel is het niet. Hoewel er niemand een “voorstander” van armoede is, gaat deze motie uit van de maakbaarheid van de wereld. De mens (of eigenlijk de staat) die alle problemen op de wereld wel even op kan lossen. 

Het gaat vooral om deze zinsnede: “het aantal personen in armoede dient altijd af te nemen”. Naast het feit dat dit überhaupt onverenigbaar is met een bevolking die uitsluitend groeit door immigratie, gaat hier nog iets diepers aan ten grondslag. De zin veronderstelt dat we op een gegeven moment uit kunnen (en moeten) komen op 0 armoede. Vergelijkbaar met het streven naar 0 verkeersdoden per jaar van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, vanaf het jaar 2050. Of de VN, die ernaar streeft dat er in het jaar 2030 níemand op aarde meer honger heeft. Stuk voor stuk doelen die nooit gehaald kunnen worden, omdat zolang er mensen bestaan, er ongelijkheid en leed zal bestaan in de wereld. 

Dan, specifiek over armoede: armoede is een relatief verschijnsel. Als de levensstandaard omhoog gaat, gaat de armoedegrens ook mee omhoog. Zolang er verschillen in rijkdom, bezit en verdiensten bestaan zullen er “rijke” en “arme” mensen zijn. Dat verschil is niet uit te wissen. Communistische staten hebben dat geprobeerd, of gepretendeerd het te proberen. Dat heeft overduidelijk niet gewerkt, maar brengt ironisch genoeg juist een lagere gemiddelde levensstandaard tot stand, waardoor de relatieve armoede groter is. 

De eerder genoemde doelen zijn dus niet alleen onhaalbaar, maar brengen ook (juist) schade met zich mee, door de manier waarop er gestreefd wordt naar deze uitkomsten. Overregulering, inperkingen van vrijheid en in het geval van armoede: ook nog eens herverdeling. En wat wordt er concreet bedoeld met “armoede laten afnemen”? De belastingen voor iedereen verlagen? Vrijwel nooit. De belastingen voor specifieke groepen verlagen, de uitkeringen verhogen, meer en/of hogere toeslagen, dát is waar “links” op doelt. Dat betekent dus automatisch dat een andere groep ervoor moet betalen, het geld moet immers ergens vandaan komen. Het gaat dan ten koste van de werkenden, of van de mensen en bedrijven die voor werk zorgen. Wat dan automatisch weer door wordt berekend aan de maatschappij. 

Armoede kun je alleen laten afnemen, tot zover het überhaupt kan, door deregulering, lagere belastingen en de gemiddelde levensstandaard omhoog te brengen. Daarom stemde FVD tegen deze motie van Van Baarle.