China wordt vaak aangehaald als voorbeeld van economische daadkracht. Wolkenkrabbers rijzen in recordtempo uit de grond, spoorlijnen worden dwars door het land getrokken en hele industrieën krijgen miljarden aan staatssteun. Achter die façade schuilt echter een systeem dat het beste met het volgende woord aangeduid kan worden: staatskapitalisme. Centrale sturing, staatsbedrijven die de toon zetten en een overheid die bepaalt waar kapitaal heen stroomt. Op korte termijn lijkt dat effectief, maar op lange termijn is het een recept voor stagnatie. Waar de staat bepaalt, verdwijnt de ruimte voor ondernemerschap, creativiteit en innovatie. Uiteindelijk verstikt centralisatie het fundament van welvaart.
Toch zien we in de Europese Unie een groeiende neiging om juist dit model te kopiëren. Waar de Europese gedachte ooit draaide om vrijheid, open markten en concurrentie, hoor je nu steeds vaker de roep om een “industrieel beleid” dat alles van bovenaf coördineert. Onlangs werd nog gesproken over een meerjarenbegroting van bijna €2 biljoen voor 2028–2034, waarbij Brussel niet alleen geld ophaalt, maar ook zelf wil gaan lenen om industrie, defensie en innovatie te sturen. Dat is geen markt, dat is planeconomie in Europees jasje. Subsidies, fondsen en steunpakketten klinken sympathiek, maar ze ontnemen ondernemers hun vrijheid en maken burgers afhankelijk van politiek gunstbeleid en werkt corruptie in de hand.
Een overheid is bovendien per definitie slecht in het alloceren van kapitaal. Belastingen worden opgehaald bij burgers en bedrijven, om vervolgens door ambtenaren en politici te worden herverdeeld. Die beslissingen zijn zelden gebaseerd op ondernemerschap, maar op politieke belangen en korte termijn druk. Het resultaat is voorspelbaar: verspilling, inefficiëntie en investeringen in projecten die nooit levensvatbaar zouden zijn geweest als ze de toets van de vrije markt hadden moeten doorstaan. Elke euro die de overheid verkeerd inzet, is een euro die niet door een ondernemer wordt gebruikt om te innoveren of banen te scheppen. Subsidies zijn de doping van de economie: ze geven even een boost, maar verzwakken structureel.
Ook dichter bij huis, in Zuid-Holland, zien we echo’s van dit denken. Provinciale economische programma’s, susbsidies en (co-)financieringen groeien gestaag, vaak vanuit de overtuiging dat de overheid richting moet geven aan economische ontwikkeling. Maar klassiek liberalen weten: de overheid is geen ondernemer. Haar kerntaken horen helder en beperkt te zijn. Iedere euro die de provincie besteedt aan projecten die de markt zelf had kunnen of moeten oppakken, is een euro die de burger minder ruimte geeft om zich te ontplooien en te ondernemen.
Het alternatief ligt niet in meer staat, maar in minder. Niet in een Chinese weg van centralisatie, maar in een Nederlandse weg van vrijheid en verantwoordelijkheid. Laat ondernemers vrij om kansen te grijpen, en burgers vrij om te investeren in hun eigen talenten en dromen. Daar ligt het antwoord op het Chinese economische model: niet in een Europese kopie, maar in een duidelijke keuze voor de vrije markt en dus voor een provincie en een land waar de overheid terughoudend optreedt, waar ondernemerschap en innovatie ruimte krijgen, en waar vrijheid de basis vormt van duurzame welvaart en echte economische kracht.
David Rutges, fractiemedewerker FVD Zuid-Holland

